Practicum Zien: Reflexbeelden | Afdektest | Alternerende Afdektest

A.2.3. Reflexbeelden | Afdektest | Alternerende afdektest – Resultaten

Reflexbeelden

Als er geen sprake is van een afwijking van de oogstand, zullen de reflexbeeldjes in beide ogen symmetrisch, en ongeveer centraal (iets nasaal) in de pupil staan. Wanneer er sprake is van manifest strabismus, zal voor één oog het reflexbeeldje niet centraal staan. Hoe groter de afwijking, hoe groter het verschil in positie van het reflexbeeldje t.o.v. het andere oog zal zijn. Uit de richting waarin het reflexbeeldje verschuift kan opgemaakt worden van welk type strabismus er sprake is.

Afdektest

Bij de gewone afdektest kijkt de onderzoeker of het niet-afgedekte oog een instelbeweging maakt als het andere oog wordt afgedekt. Als er een instelbeweging wordt waargenomen betekent dit dat het oog de fixatie overneemt, en het daarvoor dus in een afwijkende stand stond. In dit voorbeeld is er geen instelbeweging, en is er geen sprake van manifest strabismus.

Alternerende afdektest

Bij de alternerende afdektest is het belangrijk om de hand vlot van het ene naar het andere oog te laten gaan (als een ruitenwisser) om bi-foveale fixatie te voorkomen. Een instelbeweging na het wegnemen van de hand duidt op latent strabismus. Daar is in dit geval geen sprake van.
Bij latent strabismus is er wel bi-foveale fixatie, maar hier moet wel moeite voor worden gedaan. Het kan leiden tot vermoeidheid of tot manifest scheelzien.

Video met gesproken uitleg

Reageer